Vandaag heb ik goesting om dit dingetje als flubbeltje te verwoorden. Niet zo jong meer. Al drie jaar oud en het huist in de buurt van mijn nachtlamp en literaire nachtvrienden. Het is er de tijd naar om dit even in herinnering te brengen. Toen ik kind was speelden we vaak met de clementines. We maakten de flinterdunne verpakking voorzichtig los, draaiden enkele malen aan de hoekjes en onze clementines gingen rollen. Günter Förg deed hetzelfde met tekenpapier op een ronde kei. Voor een 'blauw feestje' van het kinderatelier maakten we deze tafelversiering. Op een vierkant velletje tekenden we een tegel in Delfts blauw (nee, geen kermisblauw). Draaiden wat aan de uiteinden. Knipten uit blauw dubbelgevouwen papier het silhouet van de kop van een dier en bevestigden dit aan het papier. Rollen maar!
Het 'flubbeltje' was als woord in mijn oren blijven plakken. Deze week. Voortaan zouden bij typische Nederlandse woorden uit het Noorden en het Zuiden een verwijzing komen in de Dikke Van Dale.
Moet dat nou? Dacht ik. Als ik een mooi woord hoor wil ik het gewoon gebruiken. Zonder afkomst. Gewoon over mijn tong laten rollen. Bato mi noe als ik om een omhelzing vraag. Of tjoezemiene, het mooiste woord uit mijn dialect. Staat voor seringen. Sinds ik kind was voel ik duizend zoenen als de boom weer in bloei staat.
Toen ik kind was... had ik heel veel flubbeltjes om te koesteren. En die heb ik nog.
1 opmerking:
in lapland i saw, i think, more than 50 reindeer!
Een reactie posten