Geen dorp meer waar je melk haalt bij de boer en op zomeravonden, al zittend op de dorpel, die lauwwarm uit een glas drinkt. Geen dorp meer waar meer kalveren en varkens geboren worden dan kinderen. Geen dorp meer waar het vanzelfsprekend is dat er gegroet wordt bij het passeren.
Mijn dorp is deze week wat armer geworden. Mijn overbuurman, sinds de kindertijd, heeft het gevecht met zijn ziek zijn verloren. Hij was een man die vroeger nog kon linken aan vandaag. René boerde tot enkele jaren terug, maar klein. Enkele koeien. En zijn boerenpaard. Nooit heeft die man een tractor op zijn erf gehaald. Hij vertraagde het verkeer in de dorpsstraat. Hing met zijn benen schuin over de kar, sigaartje in de mond en stelde zijn paard gerust. Ju. Ju. Perd. Ju. We haalden er elke dag verse melk. Het was toen nog heel gewoon dat er geboerd werd in een dorp.
Je zegt René en zijn boerenpaard. Voor het plezier van anderen en voor hemzelf.
Zaterdag zal het even stil worden. We zullen hoefgeslag horen tegen het beton. Ze brengen hem met paard en kar tot de kerk. Zo verbonden. Tot het stopt.
Ik steek nog een laatste keer mijn hand op en roep jow! René. En mijn hoofd maakt een knik naar beneden. Zoals ik deed als ik uit de keuken kwam, van onze oprit reed of voorbij stapte.
En ik vergeet de droom niet. Hij stond voor ons huis. Ik reed met de fiets (toen fietsen net weer kon vorig jaar) voorbij zijn huis. Hij moedigde mij aan alsof ik deelnam aan een koers. Ik hoorde hem iets roepen: 'ge zijt goe bezig'.
Ik mag nog even verder rijden. René niet. Mijn hand omhoog. Jow! René. Jow!
Met Jow! zeg je een goedendag, in ons dorp. Op de foto zie je een detail van een gebeeldhouwd boerepaard door Jo Van Rijckeghem.